Diksmuide kan het verschil maken in tijden van droogte
Wat de landbouwbeurs van Libramont en de bosbouwbeurs Demo Forest mij leerden over de landbouw van morgen Soms leer je op een beurs veel bij. Soms leer je nog meer op de weg naar huis. Vorige week stond de landbouwbeurs van Libramont opnieuw volledig in het teken van de toekomst van onze landbouw. Tienduizenden landbouwers, loonwerkers, onderzoekers, bedrijven en beleidsmakers ontmoetten er elkaar om ideeën uit te wisselen, innovaties te ontdekken en vooruit te kijken. Ook heel wat mensen uit de Westhoek maakten de verplaatsing naar de grootste openluchtlandbouwbeurs van Europa.
Zelf bezocht ik enkele dagen later Demo Forest in Bertrix, de grootste bosbouwbeurs van de Benelux. Waar Libramont volledig in het teken stond van de landbouw, draaide het in Bertrix om duurzaam bosbeheer, innovatieve bosbouwtechnieken, natuurbeheer en de toekomst van onze bossen. Als boomdeskundige viel het mij op hoe landbouw en bosbouw, ondanks hun verschillende context, vandaag met opvallend gelijkaardige uitdagingen worden geconfronteerd. Hoe maken we onze bodems weerbaarder? Hoe gaan we om met langere periodes van droogte? En hoe zorgen we ervoor dat landbouw én bosbouw ook binnen twintig of dertig jaar nog even sterk zijn? Tijdens de terugrit bleef uiteindelijk niet één machine of demonstratie door mijn hoofd spoken. Wel het landschap waardoor ik reed.
Wie vanuit Vlaanderen richting Libramont en Bertrix rijdt, ziet hoe landbouw, bossen, houtkanten, bomenrijen en heggen al generaties lang met elkaar verweven zijn. Niet omdat daar ooit bewust voor een bepaald landbouwmodel werd gekozen, maar omdat het landschap historisch zo gegroeid is. Het heuvelachtige reliëf maakte grootschalige landbouw minder vanzelfsprekend, waardoor veel van die landschapselementen bewaard bleven. Misschien lag de belangrijkste les van beide beurzen uiteindelijk niet op de beursvloer, maar onderweg tussen de Westhoek en Libramont, waar het landschap zelf toont hoe landbouw, bomen en natuur elkaar al generaties lang versterken. Wat mij vooral opviel, was hoe vanzelfsprekend het leek dat koeien buiten graasden. Bijna in elke weide zag je runderen. Dat beeld zette mij aan het denken.
Ook in onze streek waren koeien vroeger veel vaker zichtbaar in het landschap. Vandaag lijkt dat beeld almaar uitzonderlijker te worden. Natuurlijk besef ik dat de bedrijfsvoering, de economische realiteit en de beschikbare gronden niet één op één vergelijkbaar zijn. Misschien bestaan daar goede verklaringen voor. Maar het is wel een vraag die we opnieuw mogen durven stellen wanneer we nadenken over de landbouw van morgen. Daarmee bedoel ik niet dat de Westhoek de Ardennen moet worden. Wel dat we veel meer mogen onderzoeken hoe bomen, houtkanten en andere landschapselementen opnieuw een volwaardige plaats kunnen krijgen in ons landbouwlandschap. Dergelijke vormen van agrobosbouw of agroforestry kunnen bijdragen aan een betere waterhuishouding, een gezondere bodem en een landbouw die beter bestand is tegen extreme weersomstandigheden. Misschien ligt daar wel één van de sleutels voor de toekomst.
De voorbije weken werd opnieuw duidelijk hoe kwetsbaar Vlaanderen is voor langdurige droogte. Waterlopen staan laag, landbouwers kijken bezorgd naar hun gewassen en ook bomen krijgen het steeds moeilijker. Als boomdeskundige zie ik die gevolgen dagelijks. Jonge bomen slaan moeilijk aan, volwassen bomen verliezen vroeger hun bladeren of sterven gedeeltelijk af. Maar even goed spreek ik landbouwers die zich zorgen maken over hun opbrengsten en de toenemende onzekerheid waarmee ze elk seizoen worden geconfronteerd.
Dat bevestigt voor mij één ding. De klimaatverandering kiest geen kant. Ze treft landbouwers. Ze treft bossen. Ze treft natuurgebieden. En uiteindelijk treft ze ons allemaal.
Daarom geloof ik niet in een verhaal waarin landbouw en natuur tegenover elkaar worden geplaatst. Integendeel. Een sterke landbouw heeft nood aan gezonde bodems, voldoende water en een landschap dat helpt om extreme droogte én hevige regenval op te vangen. Niet minder landbouw. Wel een landbouw die sterker, weerbaarder en toekomstbestendig wordt.
Libramont liet opnieuw zien hoe snel de landbouw evolueert. Precisielandbouw, digitalisering, robotisering en slimme machines zullen ongetwijfeld een belangrijk deel van de oplossing zijn. Maar misschien lag de belangrijkste innovatie deze keer niet op de beurs. Misschien lag ze gewoon onder onze voeten. Een gezonde bodem werkt als een spons. Hij neemt regenwater op wanneer het nat is en geeft dat tijdens droge periodes geleidelijk opnieuw af. Elke druppel die in de bodem infiltreert, is een druppel die we later niet opnieuw moeten oppompen. Ook de wetenschap bevestigt steeds vaker wat veel landbouwers al langer ervaren. Een recente studie van Soil Capital, waaraan ook onderzoekers van de KU Leuven meewerkten, toont aan dat landbouwbedrijven die investeren in bodemgezondheid tijdens de uitzonderlijke droogte van 2023 aanzienlijk minder opbrengstverlies leden dan bedrijven met minder weerbare bodems. Een gezonde bodem voorkomt droogte niet. Maar ze maakt landbouw wel veel weerbaarder. En precies daar ligt volgens mij de grootste uitdaging voor de toekomst.
Toch mogen we onszelf ook enkele moeilijke vragen durven stellen. Vandaag gebruiken we een aanzienlijk deel van onze vruchtbare landbouwgrond voor een productie die in belangrijke mate gericht is op internationale export. Denk bijvoorbeeld aan de grootschalige aardappelverwerking of delen van de intensieve veehouderij. Dat heeft onze streek ongetwijfeld economische welvaart gebracht en zorgt voor veel werkgelegenheid. Maar tegelijk mogen we ons afvragen hoe we onze schaarse ruimte en waterreserves in de toekomst het verstandigst inzetten. Dat is geen pleidooi tegen export. En al zeker niet tegen onze landbouwers. Wel een uitnodiging om eerlijk na te denken over hoe we economische rendabiliteit, voedselproductie en klimaatrobuustheid ook op lange termijn met elkaar kunnen verzoenen. Want de fabel dat we al onze landbouwgrond nodig hebben om onze eigen voedselvoorziening veilig te stellen, klopt eenvoudigweg niet. Een belangrijk deel van wat hier wordt geproduceerd, is bestemd voor buitenlandse markten. Dat maakt de vraag hoe we omgaan met onze bodem en ons water alleen maar relevanter.
Landbouwers zijn daarbij geen probleem dat moet worden opgelost. Integendeel. Zij behoren net tot de eersten die de gevolgen van de klimaatverandering ondervinden. Zij kennen hun bodem beter dan wie ook. Zij weten waar water blijft staan, waar percelen uitdrogen en waar erosie optreedt. Net daarom moeten landbouwers een centrale partner zijn in de oplossingen die we zoeken. Niet door van bovenaf alles op te leggen. Wel door samen te bouwen aan een landbouw die economisch sterk én klimaatrobuust is.
Als grootste landbouwgemeente van West-Vlaanderen heeft Diksmuide daarin een bijzondere verantwoordelijkheid. Gelukkig gebeuren vandaag al heel wat goede zaken. Er worden houtkanten aangeplant, landschapselementen hersteld en projecten rond natuur, erosiebestrijding en waterbeheer opgestart. Die inspanningen verdienen erkenning. Maar tegelijk mogen we ons de vraag stellen of al die initiatieven vandaag deel uitmaken van één duidelijke langetermijnvisie. Hoe maken we onze landbouw weerbaarder tegen droogte? Hoe zorgen we ervoor dat meer regenwater in onze bodem terechtkomt? Hoe ondersteunen we landbouwers die willen investeren in klimaatrobuuste oplossingen? En hoe geven we bomen, houtkanten en andere landschapselementen opnieuw een volwaardige plaats in ons landbouwlandschap, waar ze zowel de natuur als de landbouw ten goede komen?
Dat zijn volgens mij de vragen die vandaag centraal moeten staan. Niet wanneer de volgende droogte zich aandient. Maar nu.
Te vaak denken we pas na over water wanneer er een tekort dreigt. Dan komen droogtecommissies samen, worden noodmaatregelen genomen en proberen we de schade te beperken. Dat is noodzakelijk.
Maar echte toekomstpolitiek begint veel vroeger. Ze begint bij een gezonde bodem. Bij regenwater dat opnieuw kan infiltreren. Bij landschappen die weerbaarder worden. En bij landbouwers die de ruimte krijgen om daarin mee het verschil te maken.
Na mijn bezoek aan Libramont en Demo Forest dacht ik niet alleen na over nieuwe machines of innovatieve technieken. Ik dacht vooral na over onze streek. Over onze landbouw. En over de keuzes die wij vandaag maken.
De Westhoek is altijd een streek geweest van mensen die niet afwachten tot problemen zichzelf oplossen, maar vooruitdenken en de handen uit de mouwen steken. Laat ons dat ook nu doen. Niet door landbouw en natuur tegenover elkaar te plaatsen. Wel door opnieuw bondgenoten van elkaar te maken. Want de keuzes die we vandaag maken, bepalen hoe onze streek er binnen twintig jaar zal uitzien. Voor onze landbouw. Voor ons water. Voor onze natuur. En voor de generaties die na ons komen.
De volgende droogte begint vandaag. De oplossing begint met de keuzes die we vandaag durven maken
Günther Claes
Boomdeskundige (ETW) – Ondernemer
Diksmuide Voorop
Koerconcerten met een … neusknijper
Dinsdag 28 juli: De eerste van de twee Koerconcerten vindt ‘s avonds plaats op de koer van het stadhuis. Het aantal concerten mag dan wel gehalveerd zijn tegenover vroeger, het aanbod wordt steeds beter. En ook het weer is prachtig. Het trio Acts of Man brengt een leuke en kwalitatieve mix van folk, blues, country,… deels covers, deels eigen nummers. Het publiek, ik schat een 80-tal personen, geniet….. alhoewel…. genieten…. dat kan moeilijk als je quasi het hele twee uur durende optreden geconfronteerd wordt met een uitgesproken walm van lege mosselschelpen, vis- en vleesresten en ander voedselafval. Afkomstig van de vuilnisbakken van het naastgelegen restaurant waarvan de naam refereert naar een goedheilige man. Velen onder de aanwezigen weten dat die geurginder al enige tijd en zeker deze warme zomer, aansleept, dat de Stad Diksmuide er weet van heeft, maar dat de uitbaters weigeren aan een oplossing mee te werken, en er dus maar niks mee gedaan wordt, laat staan dat er kordaat opgetreden wordt. Stel je voor dat iedere restaurantuitbater zijn vuilbakken ongegeneerd buiten laat staan in deze hitte. Dat althans horen we achteraf in de gesprekken met iedereen die claimt er ‘iets’ van te weten. De woorden ‘schandalig’ en ‘onbegrijpelijk’ horen we meermaals…. De stad gaat prat op de leuze; ‘Diksmuide geeft je ademruimte’, maar dat is blijkbaar voor interpretatie vatbaar. De ademruimte dinsdagavond op de stadhuiskoer was in ieder geval zwaar bedorven. Maar misschien wil men de Diksmuidelingen al eventjes laten wennen aan het feit dat er straks mogelijks 84.000 mestkippen aan de rand van de stad logies krijgen in een omstreden zone….. en dit ondanks het negatief advies van de Stad en de bezwaarschriften van vele omwonenden… In ieder geval, ga je volgende week naar het tweede koerconcert, denk er dan misschien aan om een neusknijper mee te nemen, of een takje verse munt, want ik vermoed dat er tegen dan geen oplossing zal zijn….
Didier Vercooren
Nieuwe aanvraag voor megakippenbedrijf na versoepeling VLAREM: worden de spelregels tijdens de wedstrijd gewijzigd?
Enkele maanden geleden dienden heel wat buurtbewoners bezwaar in tegen de geplande bouw van twee kippenstallen aan de Galileistraat 10 in Beerst, goed voor ongeveer 84.500 mestkippen. De vergunning werd uiteindelijk geweigerd. Voor de buurt leek daarmee een einde te komen aan het dossier.
Intussen is echter een nieuwe vergunningsaanvraag ingediend. Op zich is dat het recht van elke aanvrager. Wat wél vragen oproept, is dat de aanvraag nu wordt beoordeeld volgens gewijzigde VLAREM-regels, die inmiddels door de Vlaamse Regering op voorstel van minister Jo Brouns werden aangepast. Daardoor gelden vandaag andere beoordelingscriteria dan bij de vorige aanvraag.
Een van de belangrijkste wijzigingen betreft de minimumafstand tussen een nieuwe intensieve pluimveehouderij en de woonomgeving. Waar vroeger voor een inrichting met deze kenmerken een minimale afstand van 1.000 meter van toepassing kon zijn, kan onder de gewijzigde VLAREM-regels, afhankelijk van de toegekende waarderingspunten, een afstand van 500 meter volstaan. Daarnaast wordt de inrichting voorgesteld als milieuvriendelijker dankzij technische aanpassingen aan de stallen. Daardoor behaalt het project volgens de aanvrager een hogere waarderingsscore, waardoor eveneens soepelere afstandsregels kunnen gelden. Het is belangrijk dat de vergunningverlenende overheid deze berekeningen grondig controleert en niet louter overneemt.
Los van deze technische wijzigingen blijven voor veel omwonenden dezelfde fundamentele vragen bestaan. De geplande inrichting blijft een nieuw bedrijf met 84.500 mestkippen, enkel bereikbaar via een smalle landelijke weg. De omgeving is de voorbije jaren sterk geëvolueerd, met onder meer nieuwe woonontwikkelingen, appartementsgebouwen, een kinderdagverblijf en een recreatiezone. Bovendien wil de Stad Diksmuide net werk maken van een noordwestelijke omleidingsweg om zwaar verkeer uit de woonomgeving te weren. De vraag rijst dan ook of een nieuwe intensieve pluimveehouderij op deze locatie nog past binnen een goede ruimtelijke ordening.
Opvallend is dat de nieuwe vergunningsaanvraag tijdens de zomervakantie ter inzage ligt. Het openbaar onderzoek loopt slechts tot 27 juli 2026. Dat is de periode waarin burgers hun opmerkingen of bezwaren kunnen indienen. Een openbaar onderzoek is geen formaliteit. Het is het moment waarop burgers hun bezorgdheden kenbaar kunnen maken en waarop de vergunningverlenende overheid verplicht is die inhoudelijk te beoordelen. Wie meent dat dit project gevolgen kan hebben voor de leefomgeving, de mobiliteit of de ruimtelijke ontwikkeling van Diksmuide, heeft nog tot 27 juli 2026 de mogelijkheid een gemotiveerd bezwaar in te dienen op adres Heernisse 1 Diksmuide (industrieterrein).
Wilfried Verheecke
Diksmuide
“It is not the honour that you take with you, but the heritage you leave behind.”
Sta mij toe te beginnen met deze gedachte. Want uiteindelijk is dat de essentie van erfgoed. Erfgoed is veel meer dan monumenten, archieven of oude gebouwen. Erfgoed is het collectieve geheugen van een gemeenschap. Het vertelt ons waar we vandaan komen, wie we zijn en welke verantwoordelijkheid wij dragen tegenover de generaties die na ons komen. Dat erfgoed bewaart zichzelf niet. Het heeft mensen nodig.
Mensen die kijken waar anderen voorbijgaan.
Mensen die onderzoeken, documenteren, beschermen en doorgeven.
Mensen die beseffen dat zorg voor het verleden tegelijk een investering is in de toekomst.
Die mensen noemen we erfgoedhoeders.
Eerwaarde heer Godfried Vandenberghe was zonder twijfel zo’n erfgoedhoeder. Met kennis, geduld en toewijding heeft hij ons Diksmuidse verleden mee bewaard en betekenis gegeven. Daarvoor ben ik hem bijzonder dankbaar. Maar vandaag wil ik méér doen dan één persoon eren. Want erfgoed is nooit het werk van één mens. Het is altijd het resultaat van een gemeenschap die, ieder op zijn manier, verantwoordelijkheid opneemt. Ik denk daarbij ook aan de betreurde heer Chris Vandewalle. Zijn tomeloze inzet voor het onderzoeken, bewaren en ontsluiten van ons erfgoed heeft blijvende sporen nagelaten. Ik denk aan onze vroegere conservatoren, de heren Demoen en Manhaeve, die mee de fundamenten hebben gelegd waarop wij vandaag verder bouwen. Ik denk aan onze vrijwilligers.
Aan allen die vaak in alle stilte, zonder veel aandacht of erkenning, uren, dagen en jaren investeren in het bewaren van wat ons dierbaar is.
Het is gevaarlijk om namen te noemen, omdat men onvermijdelijk iemand vergeet. Toch wil ik enkele mensen expliciet bedanken: de heren Coopman, Laplasse en Spruytte. Zij vertegenwoordigen tegelijk zovele anderen die dezelfde zorg en dezelfde liefde voor ons erfgoed delen. Mijn oprechte waardering gaat uit naar iedereen die, op welke manier ook, heeft bijgedragen aan het bewaren van ons verleden. Evenzeer wil ik onze bovenlokale partner danken: de Intergemeentelijke Onroerend Erfgoeddienst, en in het bijzonder mevrouw Elke Verbeke. Met haar deskundigheid, haar enthousiasme en haar aanstekelijke gedrevenheid heeft zij een belangrijke bijdrage geleverd aan wat wij vandaag mogen vieren.
De apostel Paulus schreef: “Onderzoek alles en behoud het goede.” Misschien is dat wel één van de mooiste omschrijvingen van erfgoedzorg.
Onderzoeken.
Begrijpen.
Bewaren.
En vervolgens doorgeven.
Vandaag bereiken we een belangrijke mijlpaal. Diksmuide is officieel erkend als erfgoedgemeente. Die erkenning is geen eindpunt. Ze is een bevestiging van jarenlang engagement, maar tegelijk ook een opdracht. Een opdracht om het verleden niet op te sluiten in vitrines of archieven, maar het levend te houden.
Om erfgoed toegankelijk te maken.
Om verhalen te blijven vertellen.
Om jonge mensen te laten ontdekken dat ook zij deel uitmaken van een geschiedenis die veel groter is dan henzelf.
Gelukkig mogen wij daarvoor rekenen op een nieuwe generatie. Met veel vertrouwen kijk ik naar onze enthousiaste erfgoedmedewerker, de heer Gert-Jan Vandevoorde. Hij staat niet alleen in dienst van een administratie. Hij staat ten dienste van onze gemeenschap, van ons gedeeld geheugen en van de toekomst van ons erfgoed. Laat deze erkenning ons daarom niet alleen trots maken. Laat ze ons ook nederig maken.
Want wat wij vandaag bezitten, hebben wij niet zelf gecreëerd. Wij hebben het ontvangen. En precies daarom zijn wij verplicht het met dezelfde zorg door te geven. Wij zijn slechts tijdelijke beheerders van een veel groter verhaal. Noch Chris Vandewalle, noch Godfried Vandenberghe behoren werkelijk tot het verleden.
Hun werk leeft voort. In de gebouwen die werden beschermd. In de archieven die werden ontslotenIn de verhalen die bewaard bleven. In de mensen die zij inspireerden. En vooral in de overtuiging dat een gemeenschap zonder herinnering uiteindelijk ook haar toekomst verliest.
Laat ons daarom hun werk niet alleen herdenken. Laat ons het verderzetten.Met dezelfde nieuwsgierigheid.
Met dezelfde zorg.
Met dezelfde liefde voor Diksmuide.
Want uiteindelijk is dat de mooiste erfenis die wij zelf kunnen nalaten.
Dank u wel.
Katleen Winne
Schepen van Erfgoed en Cultuur
Een brug te ver
Blij voor Diksmuide dat ze onroerenderfgoedgemeente is geworden. Dankzij wijlen Godfried Vandenberghe, die ons wederopbouwerfgoed onder de aandacht bracht.
Maar schrijven dat Godfried een inventarisatie van Diksmuides wederopbouwerfgoed in het centrum maakte is echter een brug te ver. Die bestaat al jaren, neem een kijkje op inventaris.onroerenderfgoed.be, Godfried heeft er rijkelijk gebruik van gemaakt.
In het archief van Diksmuide vindt men de meeste plannen van de heropbouw van het centrum. Stadsarchivaris Chris Vandewalle heeft ze de laatste jaren allemaal laten inscannen, en daarna alle gegevens die er op te vinden waren laten oplijsten: de architect, de opdrachtgever, datum van goedkeuring, oud en nieuw kadasternummer, huidig adres…. Een schat aan gegevens die bij iedere verbouwing geraadpleegd zou moeten worden. Het staat allemaal op een computer die nu stof staat te vergaren. “De jaarlijkse subsidie van 50.000 euro laat Diksmuide toe haar expertise en personeel hierrond verder uit te bouwen” Toch wel cynisch, Diksmuide besliste eerder al dat het niet meer nodig was om terug een stadsarchivaris te benoemen…
Dirk Laplasse, voormalig vrijwilliger stadsarchief Diksmuide


