“It is not the honour that you take with you, but the heritage you leave behind.”
Sta mij toe te beginnen met deze gedachte. Want uiteindelijk is dat de essentie van erfgoed. Erfgoed is veel meer dan monumenten, archieven of oude gebouwen. Erfgoed is het collectieve geheugen van een gemeenschap. Het vertelt ons waar we vandaan komen, wie we zijn en welke verantwoordelijkheid wij dragen tegenover de generaties die na ons komen. Dat erfgoed bewaart zichzelf niet. Het heeft mensen nodig.
Mensen die kijken waar anderen voorbijgaan.
Mensen die onderzoeken, documenteren, beschermen en doorgeven.
Mensen die beseffen dat zorg voor het verleden tegelijk een investering is in de toekomst.
Die mensen noemen we erfgoedhoeders.
Eerwaarde heer Godfried Vandenberghe was zonder twijfel zo’n erfgoedhoeder. Met kennis, geduld en toewijding heeft hij ons Diksmuidse verleden mee bewaard en betekenis gegeven. Daarvoor ben ik hem bijzonder dankbaar. Maar vandaag wil ik méér doen dan één persoon eren. Want erfgoed is nooit het werk van één mens. Het is altijd het resultaat van een gemeenschap die, ieder op zijn manier, verantwoordelijkheid opneemt. Ik denk daarbij ook aan de betreurde heer Chris Vandewalle. Zijn tomeloze inzet voor het onderzoeken, bewaren en ontsluiten van ons erfgoed heeft blijvende sporen nagelaten. Ik denk aan onze vroegere conservatoren, de heren Demoen en Manhaeve, die mee de fundamenten hebben gelegd waarop wij vandaag verder bouwen. Ik denk aan onze vrijwilligers.
Aan allen die vaak in alle stilte, zonder veel aandacht of erkenning, uren, dagen en jaren investeren in het bewaren van wat ons dierbaar is.
Het is gevaarlijk om namen te noemen, omdat men onvermijdelijk iemand vergeet. Toch wil ik enkele mensen expliciet bedanken: de heren Coopman, Laplasse en Spruytte. Zij vertegenwoordigen tegelijk zovele anderen die dezelfde zorg en dezelfde liefde voor ons erfgoed delen. Mijn oprechte waardering gaat uit naar iedereen die, op welke manier ook, heeft bijgedragen aan het bewaren van ons verleden. Evenzeer wil ik onze bovenlokale partner danken: de Intergemeentelijke Onroerend Erfgoeddienst, en in het bijzonder mevrouw Elke Verbeke. Met haar deskundigheid, haar enthousiasme en haar aanstekelijke gedrevenheid heeft zij een belangrijke bijdrage geleverd aan wat wij vandaag mogen vieren.
De apostel Paulus schreef: “Onderzoek alles en behoud het goede.” Misschien is dat wel één van de mooiste omschrijvingen van erfgoedzorg.
Onderzoeken.
Begrijpen.
Bewaren.
En vervolgens doorgeven.
Vandaag bereiken we een belangrijke mijlpaal. Diksmuide is officieel erkend als erfgoedgemeente. Die erkenning is geen eindpunt. Ze is een bevestiging van jarenlang engagement, maar tegelijk ook een opdracht. Een opdracht om het verleden niet op te sluiten in vitrines of archieven, maar het levend te houden.
Om erfgoed toegankelijk te maken.
Om verhalen te blijven vertellen.
Om jonge mensen te laten ontdekken dat ook zij deel uitmaken van een geschiedenis die veel groter is dan henzelf.
Gelukkig mogen wij daarvoor rekenen op een nieuwe generatie. Met veel vertrouwen kijk ik naar onze enthousiaste erfgoedmedewerker, de heer Gert-Jan Vandevoorde. Hij staat niet alleen in dienst van een administratie. Hij staat ten dienste van onze gemeenschap, van ons gedeeld geheugen en van de toekomst van ons erfgoed. Laat deze erkenning ons daarom niet alleen trots maken. Laat ze ons ook nederig maken.
Want wat wij vandaag bezitten, hebben wij niet zelf gecreëerd. Wij hebben het ontvangen. En precies daarom zijn wij verplicht het met dezelfde zorg door te geven. Wij zijn slechts tijdelijke beheerders van een veel groter verhaal. Noch Chris Vandewalle, noch Godfried Vandenberghe behoren werkelijk tot het verleden.
Hun werk leeft voort. In de gebouwen die werden beschermd. In de archieven die werden ontslotenIn de verhalen die bewaard bleven. In de mensen die zij inspireerden. En vooral in de overtuiging dat een gemeenschap zonder herinnering uiteindelijk ook haar toekomst verliest.
Laat ons daarom hun werk niet alleen herdenken. Laat ons het verderzetten.Met dezelfde nieuwsgierigheid.
Met dezelfde zorg.
Met dezelfde liefde voor Diksmuide.
Want uiteindelijk is dat de mooiste erfenis die wij zelf kunnen nalaten.
Dank u wel.
Katleen Winne
Schepen van Erfgoed en Cultuur
Een brug te ver
Blij voor Diksmuide dat ze onroerenderfgoedgemeente is geworden. Dankzij wijlen Godfried Vandenberghe, die ons wederopbouwerfgoed onder de aandacht bracht.
Maar schrijven dat Godfried een inventarisatie van Diksmuides wederopbouwerfgoed in het centrum maakte is echter een brug te ver. Die bestaat al jaren, neem een kijkje op inventaris.onroerenderfgoed.be, Godfried heeft er rijkelijk gebruik van gemaakt.
In het archief van Diksmuide vindt men de meeste plannen van de heropbouw van het centrum. Stadsarchivaris Chris Vandewalle heeft ze de laatste jaren allemaal laten inscannen, en daarna alle gegevens die er op te vinden waren laten oplijsten: de architect, de opdrachtgever, datum van goedkeuring, oud en nieuw kadasternummer, huidig adres…. Een schat aan gegevens die bij iedere verbouwing geraadpleegd zou moeten worden. Het staat allemaal op een computer die nu stof staat te vergaren. “De jaarlijkse subsidie van 50.000 euro laat Diksmuide toe haar expertise en personeel hierrond verder uit te bouwen” Toch wel cynisch, Diksmuide besliste eerder al dat het niet meer nodig was om terug een stadsarchivaris te benoemen…
Dirk Laplasse, voormalig vrijwilliger stadsarchief Diksmuide
Extra hitte vraagt meer dan warme woorden
Terwijl Vlaanderen opnieuw kreunt onder uitzonderlijke hitte, draaien ventilatoren en airco’s op volle toeren. Ouderen zoeken verkoeling, gezinnen proberen hun woning leefbaar te houden en ouders maken zich zorgen over hun kinderen tijdens steeds warmere zomers. Wat vroeger uitzonderlijk was, wordt stilaan de nieuwe realiteit. Hittegolven worden langer, frequenter en intenser. Wetenschappers waarschuwen al jaren dat dit geen tijdelijk fenomeen is, maar een structurele verandering van ons klimaat. De voorbije weken en maanden werd opnieuw uitgebreid gesproken over de gevolgen van extreme hitte. In televisieprogramma’s, parlementen en beleidsnota’s gaat het terecht over solidariteit, het beschermen van ouderen en kwetsbare groepen, klimaatadaptatie en hitteplannen.
Maar praten alleen zal ons niet beschermen tegen de hittegolven van morgen. Wie de klimaatprojecties ernstig neemt, weet dat langere en intensere hitteperiodes geen uitzondering meer zullen zijn. Ze worden stilaan het nieuwe normaal. Dat vraagt meer dan tijdelijke maatregelen of goedbedoelde adviezen. Het vraagt structurele investeringen in onder meer betaalbare energie, energieopslag, klimaatadaptatie, ontharding, vergroening en een robuuste energie-infrastructuur die bestand is tegen de uitdagingen van de toekomst.
En net op die momenten krijgen veel gezinnen nog een extra klap te verwerken: torenhoge elektriciteitsprijzen. Op woensdagavond piekte de Belgische stroomprijs zelfs boven de 1.000 euro per megawattuur. Een absoluut record. Voor veel gezinnen is elektriciteit vandaag geen luxe meer. We verwarmen met warmtepompen, laden elektrische wagens op, koelen onze woningen tijdens hittegolven en koken elektrisch. Elektriciteit is uitgegroeid tot een basisbehoefte. Dat roept een fundamentele vraag op. Hoe kan het dat duizenden gezinnen, landbouwers en bedrijven op eigen kosten investeren in zonnepanelen en overdag goedkope, groene stroom produceren, terwijl we ’s avonds opnieuw geconfronteerd worden met extreme elektriciteitsprijzen?
De voorbije jaren namen burgers, landbouwers en bedrijven hun verantwoordelijkheid op. Zij investeerden massaal in zonnepanelen en dragen zo actief bij aan de energietransitie. Niet iedereen beschikt echter over de financiële mogelijkheden om daarnaast ook nog te investeren in een thuisbatterij. Voor veel gezinnen ziet de realiteit er vandaag als volgt uit. Overdag, wanneer de zon volop schijnt en de zonnepanelen op volle kracht elektriciteit produceren, zijn ouders gaan werken en kinderen naar school. Net op het moment dat de productie het hoogst is, staat de woning vaak grotendeels leeg. De overtollige groene stroom wordt dan op het net geplaatst. Enkele uren later keert het gezin naar huis terug. Er moet gekookt worden, de wasmachine draait, de woning moet gekoeld worden tijdens een hittegolf en steeds vaker moet ook de elektrische wagen opgeladen worden. Maar dan is de zon onder. Op het moment dat gezinnen hun elektriciteit het hardst nodig hebben, moeten zij opnieuw elektriciteit aankopen tegen veel hogere prijzen.
Voor veel mensen voelt dat aan als de omgekeerde wereld.
Maar het probleem ligt niet bij de burger. De overheid moedigde gezinnen, landbouwers en bedrijven terecht aan om te investeren in hernieuwbare energie. Alleen bleef de uitbouw van grootschalige energieopslag, slimme energienetten en flexibiliteit achter op de razendsnelle groei van zonne-energie. Nochtans stopt de energietransitie niet bij het plaatsen van zonnepanelen. Natuurlijk moeten we ook realistisch blijven. Zelfs met een sterke groei van zonne- en windenergie zullen we de komende jaren nog nood hebben aan voldoende regelbare productie om onze bevoorradingszekerheid te garanderen. Kerncentrales en, waar noodzakelijk, ook een beperkt aantal gascentrales zullen voorlopig een rol blijven spelen in onze energiemix. Maar die vaststelling mag geen excuus zijn om onvoldoende te investeren in energieopslag. Integendeel.
Hoe meer groene energie we lokaal kunnen opslaan en gebruiken, hoe minder we afhankelijk worden van fossiele brandstoffen en hoe beter we prijsschommelingen kunnen opvangen. De energietransitie is geen keuze tussen hernieuwbare energie óf kernenergie. Ze vraagt een doordachte combinatie van hernieuwbare energie, voldoende regelbare productie, energieopslag, slimme netten en flexibiliteit. Zonder voldoende opslag dreigen we een deel van de goedkope groene stroom die overdag wordt geproduceerd onvoldoende te benutten, terwijl we enkele uren later opnieuw afhankelijk worden van duurdere energieproductie of import. Daarom is de vraag niet waarom burgers niet massaal investeren in batterijen. De vraag is waarom de overheid onvoldoende investeert in de noodzakelijke randvoorwaarden zodat lokale opslag, energiedelen en slimme energienetten veel sneller uitgerold kunnen worden. Want als elektriciteit een basisbehoefte is, dan is het ook de verantwoordelijkheid van de overheid om ervoor te zorgen dat die energie betaalbaar en toegankelijk blijft voor iedereen. Misschien moeten we ook lokaal durven nadenken over de toekomst.
Diksmuide is met bijna 150 km² de grootste gemeente van West-Vlaanderen. Onze open ruimte is één van onze grootste troeven en moet maximaal gevrijwaard blijven voor landbouw, natuur en waterbuffering. Tegelijk blijft onze stad groeien. Vandaag telt Diksmuide meer dan 17.000 inwoners, terwijl dat vijftien jaar geleden nog ongeveer 16.000 inwoners waren. Die bevolkingsgroei situeert zich bovendien vooral in en rond het stadscentrum, waar de voorbije jaren verschillende nieuwe woonprojecten gerealiseerd werden. Steeds meer mensen wonen dichter bij elkaar en de vraag naar appartementen en compacte woonvormen neemt verder toe. Net daarom wordt betaalbare en betrouwbare energie een steeds belangrijker thema voor de toekomst van onze stad. Want een groeiende bevolking betekent ook een stijgende energievraag. Net daarin schuilt echter ook een kans.
Waar mensen dichter samenleven, ontstaan immers ook nieuwe mogelijkheden voor energiedelen, collectieve opslag, wijkbatterijen en lokale samenwerking. Diksmuide kan er bewust voor kiezen om die groei niet ten koste te laten gaan van onze open ruimte. Integendeel, door verdere verdichting binnen het bestaande stadscentrum en de dorpskernen kunnen we onze waardevolle open ruimte maximaal beschermen voor landbouw, natuur en waterbuffering. Betaalbare energie, kernversterking en het behoud van open ruimte hoeven elkaar niet uit te sluiten. Ze kunnen elkaar net versterken. Diksmuide is bovendien bovenal een landbouwgemeente. Onze landbouwers produceren elke dag voedsel voor duizenden gezinnen. Ook zij worden geconfronteerd met stijgende energiekosten voor ventilatie, koeling, irrigatie en moderne bedrijfsvoering. Ook onze lokale ondernemingen, zelfstandigen en KMO’s voelen de gevolgen van schommelende energieprijzen steeds harder. Betaalbare energie is dus niet alleen belangrijk voor gezinnen, maar evenzeer voor onze landbouw, onze bedrijven en onze lokale economie. Misschien moeten we daarom lokaal veel ambitieuzer durven denken.
Waarom zou Diksmuide niet onderzoeken of een lokale energiecoöperatie mogelijk is, waarbij inwoners, landbouwers, bedrijven en de stad samen investeren in energieprojecten?
Waarom zouden we niet maximaal inzetten op zonnepanelen op gemeentelijke gebouwen, collectieve batterijopslag, energiedelen en lokale energiegemeenschappen?
Als grootste gemeente van West-Vlaanderen qua oppervlakte, met veel open ruimte, een sterke landbouwsector en een groeiend stadscentrum, heeft Diksmuide volgens mij alle troeven in handen om een voorbeeldrol op te nemen op vlak van lokale energie, energiedelen en collectieve opslag. Het idee van lokale energiegemeenschappen is overigens niet nieuw. Integendeel. Ook in onze eigen regio bestaan inspirerende voorbeelden. De West-Vlaamse burgercoöperatie BeauVent bewijst al jarenlang dat burgers samen kunnen investeren in hernieuwbare energie en zo meer grip krijgen op hun energiefactuur. Bovendien heeft dit verhaal sterke wortels in Diksmuide. Jarenlang had BeauVent haar zenuwcentrum op de iconische kantoorboot aan de IJzer en de eerste windturbines van de coöperatie draaien nog steeds in Nieuwkapelle. Ook de Vlaamse burgercoöperatie Ecopower toont al meer dan dertig jaar aan dat inwoners samen kunnen investeren in hernieuwbare energie. Ook vandaag leveren verschillende landbouwbedrijven in onze regio al een belangrijke bijdrage aan de lokale energieproductie, onder meer via zonnepanelen, vergisting of bestaande windprojecten. Die lokaal geproduceerde energie verdient het om maximaal ten goede te komen aan onze eigen inwoners, landbouwers en bedrijven.
Net daarom zijn collectieve opslag en wijkbatterijen zo belangrijk. Ze laten toe om overtollige lokaal geproduceerde energie tijdelijk op te slaan en later opnieuw te gebruiken, bijvoorbeeld op momenten waarop de vraag naar elektriciteit hoog is. Zo versterken we niet alleen onze energieonafhankelijkheid, maar zorgen we er ook voor dat de inspanningen van onze landbouwers en andere producenten maximaal renderen voor onze eigen gemeenschap.
En elders in Europa bestaan eveneens succesvolle voorbeelden van lokale energiegemeenschappen, burgercoöperaties en collectieve energieopslag. In het Duitse dorp Feldheim produceert de gemeenschap al jaren haar eigen energie en in Nederland lopen verschillende projecten rond buurtbatterijen en collectieve opslag. Wat vandaag in Vlaanderen, Nederland, Duitsland en Denemarken mogelijk is, moet ook in Diksmuide onderzocht kunnen worden. De stad hoeft daarbij niet alles zelf te financieren. Maar ze kan wel verbinden, faciliteren en mensen samenbrengen. Want de energie van morgen zal niet alleen geproduceerd worden door grote energiebedrijven. Ze zal ook lokaal, door en voor de inwoners, vorm krijgen.
Want één zaak staat vast: de hittegolven van vandaag zijn geen uitzondering meer. Ze zijn een voorsmaakje van de toekomst. Solidariteit betekent niet alleen tijdens een hittegolf vragen om naar onze buren, ouderen en kwetsbare groepen om te kijken. Solidariteit betekent ook vandaag investeren in structurele oplossingen die ervoor zorgen dat iedereen morgen nog toegang heeft tot betaalbare energie en een leefbare woning. Wanneer extreme hitte het nieuwe normaal dreigt te worden, mag verkoeling geen privilege zijn voor wie het zich kan veroorloven. Iedereen heeft recht op een betaalbare, gezonde en leefbare woning. Ook tijdens de warmste dagen van het jaar.
Misschien is het tijd om energie opnieuw te beschouwen als meer dan een product op een internationale markt. Misschien moeten we energie opnieuw beschouwen als een basisrecht. Want hoe meer energie we lokaal kunnen produceren, opslaan en delen, hoe minder afhankelijk we worden van internationale prijsschommelingen. De energie van morgen moet niet alleen groen zijn. Ze moet ook betaalbaar, betrouwbaar én lokaal verankerd zijn.
Günther Claes – Diksmuide Voorop
De fermettetaks is dood maar het platteland is meer dan alleen maar landbouw
Het is lovenswaardig dat de Diksmuidse burgemeester mee denkt over de toekomst van het platteland. Hij en alle andere politici hoeven zich echter geen zorgen meer te maken over de Fermettetaks. Alle regeringspartijen spraken zich uit tegen deze taks en zien er geen heil in als onderdeel van een duurzaam plattelandsbeleid, laat staan als de oplossing voor het behoud van de open ruimte. Ook binnen de oppositie viel het voorstel op koude grond. Dus, of we er nog over discussiëren of niet, het voorstel is dood. Ik denk dat politici andere katten te geselen hebben dan discussiëren over iets dat geen grond meer heeft, dat dood en begraven is.
Voor de duidelijkheid toch nog even terug naar de aanleiding van het debat en eventjes een paar puntjes op de i zetten wat wel belangrijk is, wat wel de keuzes zijn die we moeten maken op het platteland. In een veelbesproken dubbelinterview in De Standaard breekt algemeen directeur van Natuurpunt Noah Janssen een lans voor de visie van Natuurpunt op de open ruimte. Uiteraard hebben we de landbouw nodig, maar tegelijk moeten we ook evolueren naar een Vlaanderen met 30 procent natuur. Dat hoeft niet overal strikt beschermde natuur te zijn, daar kunnen ook andere functies samenkomen door de ruimte te delen. Het debat wordt nu verengd naar een discussie over één instrument dat de Boerenbond naar voren schuift (de zogenaamde ‘fermetteheffing’). Dat kreeg begrijpelijk kritiek van veel mensen op het platteland en is intussen van de baan.
Het echte debat over het platteland zou moeten gaan over hoe we de open ruimte zo inrichten dat elke functie haar rol kan vervullen: landbouw, natuur, maar ook wonen, recreatie en erfgoed. Een kwestie die meer dan ooit acuut is nu veel boeren op de rand van hun pensioen staan en er spijtig genoeg niet altijd opvolging klaarstaat. Zonder duidelijk kader over wat kan en niet kan in de open ruimte die ons nog rest, zijn er alleen maar verliezers: de landbouw, de natuur en het platteland.
Alhoewel de Fermettetaks politiek dood is, wed ik er op dat Jean Marie Dedecker het op het Kiwanis debat niet gaat kunnen laten om hier wat populistische oneliners in het rond te gooien, maar het bovenstaande compleet te negeren. Zo kennen we JM, een oppositiebeest, altijd klaar om de tegenstander met een ippon uit te schakelen, maar ongeschikt om voor het geheel, in deze het platteland, duurzame oplossingen uit te werken. Voor dat laatste heb je beleidsmakers en bruggenbouwers nodig, geen uit de kleren gegroeide straatvechters.
Peter Bossu
Drinkwater mag geen politiek compromis worden
De voorbije weken is het drinkwaterdossier in de Westhoek eindelijk uitgegroeid tot een groot maatschappelijk debat. Nationale partijen komen luisteren, ministers reageren in de pers en plots profileert iedereen zich als verdediger van proper drinkwater.
Laat ons duidelijk zijn: elke aandacht voor dit dossier is welkom. Want drinkwater is geen detaildossier. Het gaat over de gezondheid van duizenden inwoners in onze streek.
Maar tegelijk moeten we ook eerlijk blijven over de feiten.
In Diksmuide en de Westhoek leven de zorgen hierover al veel langer. Lang voor dit een nationaal politiek onderwerp werd, trokken inwoners, bezorgde burgers, milieuverenigingen en lokale stemmen hier al aan de alarmbel. Ook wij bij Diksmuide Voorop hebben dit dossier van dichtbij opgevolgd en herhaaldelijk onder de aandacht gebracht.
Dat vandaag zelfs een vzw rond proper drinkwater in West-Vlaanderen wordt opgericht, zegt veel over hoe diep de bezorgdheid ondertussen bij een deel van de bevolking zit. Eigenlijk is het bijzonder pijnlijk dat inwoners anno 2026 het gevoel hebben zich te moeten verenigen rond iets dat zo fundamenteel zou moeten zijn als vertrouwen in hun drinkwater.
Wat vandaag zoveel onrust veroorzaakt, is niet alleen de vervuiling zelf. Het is vooral het gevoel dat inwoners stap voor stap hebben moeten ontdekken hoe ernstig het probleem eigenlijk geworden is.
Eerst werd gezegd dat alles onder controle was. Daarna bleek dat uitzonderingsnormen nodig waren. Vervolgens bleek dat men die afwijkingen zelfs jarenlang wilde verlengen. En ondertussen blijven nieuwe vaststellingen opduiken over pesticiden en vervuiling in onze waterlopen.
Dat tast het vertrouwen aan.
Wanneer inwoners lezen dat in De Blankaart de hoogste concentraties triazolen van Vlaanderen worden gemeten, wanneer verboden pesticiden zoals oxamyl opnieuw opduiken in waterlopen richting ons drinkwatergebied, dan is het logisch dat mensen vragen beginnen stellen. Meer en meer inwoners vertrouwen het kraantjeswater niet meer zoals vroeger. Dat alleen al zou voor elke beleidsmaker een alarmsignaal moeten zijn.
En ja, we moeten ook durven benoemen waar een groot deel van de problematiek vandaan komt. De recente berichtgeving en metingen tonen opnieuw aan dat landbouwgerelateerde pesticiden een belangrijke rol spelen in deze vervuiling. Dat is geen aanval op landbouwers als mensen. Veel boeren zitten zelf gevangen in een systeem van schaalvergroting, productiedruk en afhankelijkheid.
Maar het betekent wél dat de politiek eindelijk duidelijke keuzes moet maken.
Te lang heeft men geprobeerd tegelijk: Europa gerust te stellen, de landbouwsector te beschermen, economische belangen te vrijwaren, én tegelijk de bevolking gerust te stellen.
Maar proper drinkwater mag geen compromis zijn.
Wat bovendien moeilijk te begrijpen blijft, is dat sommige politici het probleem tegelijk proberen te minimaliseren met geruststellende communicatie uit regio’s waar die afwijkende normen niet eens van toepassing zijn. Terwijl De Blankaart hier in Diksmuide net het centrum van de discussie vormt.
De vraag die inwoners zich vandaag stellen is eenvoudig: als dit probleem zich in Antwerpen of Leuven zou voordoen, zou men daar ook jarenlang hogere pesticidenormen aanvaarden?
Wij vragen geen paniek. Wij vragen eerlijkheid. Transparantie. En een beleid dat eindelijk de oorzaken aanpakt in plaats van voortdurend uitzonderingen te verlengen.
Want drinkwater is geen luxeproduct. Het is een basisrecht.
En politici die vandaag beslissingen nemen over de gezondheid van 363.000 West-Vlamingen dragen daarin een zware verantwoordelijkheid. Niet alleen in Brussel, maar ook lokaal.
Want echte verandering begint niet pas bij een ministerieel besluit. Ze begint ook bij gemeentebesturen, schepencolleges en lokale mandatarissen die durven kiezen voor het algemeen belang wanneer moeilijke dossiers zich aandienen.
Daarom mag ook de vraag gesteld worden of het in de toekomst nog wenselijk is dat bevoegdheden zoals landbouw, milieu en klimaat binnen éénzelfde politieke functie worden samengebracht. Zeker in regio’s waar de druk op waterkwaliteit en leefmilieu zo groot geworden is.
Dat is geen persoonlijke aanval, maar een fundamentele vraag over evenwicht, onafhankelijkheid en geloofwaardigheid van beleid.
Want inwoners nemen geen genoegen meer met geruststellende woorden of minimaliserende communicatie. Ze verwachten politieke moed. Van lokaal niveau tot Vlaanderen.
De inwoners van de Westhoek verdienen hetzelfde beschermingsniveau als elke andere Vlaming.
Geen uitzonderingsregime. Geen normen op maat van een probleem dat men te lang liet aanslepen.
Geen oplossingen op de lange baan. Geen uitzonderingen tot 2029.
Maar proper drinkwater. Voor iedereen.
Niet binnen drie jaar. Nu.
Als burger en als lid van Diksmuide Voorop weiger ik hierover te zwijgen.
Want gezond water is geen luxe. Het is een basisrecht.
Günther Claes – Diksmuide Voorop


