Diksmuide is een stad waar landbouw en wonen al generaties lang naast elkaar bestaan. Dat hoeft geen probleem te zijn. Maar wanneer in een omgeving die steeds meer een woonkarakter krijgt een nieuwe grootschalige intensieve veehouderij wordt gepland, is het volgens ons terecht dat de vraag wordt gesteld: past dit bedrijf nog op deze plaats?
Het gaat hier niet om een kleine landbouwactiviteit. De aanvraag betreft een nieuwe pluimveehouderij voor 84.500 mestkuikens aan de Galileistraat in Beerst. Rond die locatie bevinden zich vandaag woningen, appartementsgebouwen, woonerven, nieuwe woonontwikkelingen, een recreatiezone én een kinderdagverblijf. De omgeving is dus al lang niet meer uitsluitend agrarisch.
Een doodlopende straat als toegangsweg
Een van de grootste zorgen is de mobiliteit. De Galileistraat is op verschillende plaatsen slechts ongeveer 3,2 tot 3,5 meter breed. Tegelijk wordt voor de nieuwe exploitatie rekening gehouden met ongeveer 560 vrachtwagenbewegingen per jaar. Het gaat onder meer om de aanvoer van kuikens en voeder, de afvoer van mest en dieren, kadaverophaling en andere leveringen.
Dat klinkt misschien als een cijfer in een technisch dossier. Voor bewoners betekent het iets anders. Een vrachtwagen die een smalle, doodlopende straat in moet, moet er ook weer uit. Onderweg moeten andere vrachtwagens, landbouwvoertuigen, personenwagens, fietsers en voetgangers elkaar kunnen kruisen. Aan het begin van de Galileistraat komen bovendien 49 nieuwe wooneenheden. Dat betekent niet alleen meer woningen, maar ook meer dagelijkse verkeersbewegingen.
En dan komt de Oostendestraat in beeld. De Oostendestraat is een belangrijke toegangsweg voor Diksmuide. Het is dan ook onvoldoende om alleen te zeggen dat het aantal bijkomende vrachtwagens op jaarbasis beperkt lijkt. De vraag moet zijn waar die vrachtwagens rijden, op welke momenten, langs welke route en hoe die verkeersstromen zich verhouden tot de bestaande verkeersdruk.
Een straat van amper enkele meters breed is geen abstract gegeven. Wie er woont, fietst of wandelt, weet wat het betekent wanneer daar een zwaar voertuig moet passeren.
Wie betaalt de oplossing?
In het aanvraagdossier wordt gesproken over bijkomende uitwijkstroken om het verkeer beter te laten verlopen. Maar dan rijst een eenvoudige vraag: waar komen die uitwijkstroken precies? Welke gronden zijn daarvoor nodig? Wie stelt die gronden ter beschikking? Wie betaalt de aanleg? En wie draagt de kosten wanneer de openbare infrastructuur moet worden aangepast om een nieuwe (gesubsidieerde) industriële activiteit veilig bereikbaar te maken? Zolang daar geen concrete antwoorden op zijn, kunnen uitwijkstroken moeilijk als een gerealiseerde oplossing worden beschouwd.
Daar komt nog bij dat het bestaande landbouwbedrijf (varkens) op de site zou verdwijnen. Daarom moet volgens ons niet alleen naar het nieuwe vrachtverkeer worden gekeken, maar naar het netto verschil tussen de huidige en toekomstige situatie. Hoeveel vrachtwagens rijden er vandaag? Hoeveel zullen er rijden na de omschakeling? En wanneer rijden ze? Dat zijn essentiële vragen wanneer verkeersveiligheid centraal staat.
Geur stopt niet aan 500 meter
Een tweede belangrijk aandachtspunt is geur. In de omgeving staan verschillende appartementsgebouwen en woningen met mechanische ventilatie. Die systemen nemen buitenlucht aan. Wanneer zich in die buitenlucht geur bevindt, bestaat dus de mogelijkheid dat bewoners die geur ook binnen ervaren. Dat is een belangrijk verschil met een eenvoudige woning waar een raam kan worden dichtgedaan. Wie afhankelijk is van een mechanisch ventilatiesysteem kan dat niet zomaar uitschakelen zonder de normale ventilatie van zijn woning te beïnvloeden.
In het dossier werd de beoordelingsafstand bovendien teruggebracht van 1 kilometer naar 500 meter. Maar geur houdt zich uiteraard niet aan een cirkel die op een plan wordt getekend. Dat blijkt ook uit de concrete ervaring van bewoners. In het bezwaarschrift wordt aangehaald dat op ongeveer 550 meter van een bestaande varkenskwekerij geur in een appartement met technische ventilatie duidelijk waarneembaar is, onder meer bij het verluchten van de stallen of het verwijderen van mest. Daarom lijkt het ons redelijk om niet alleen te kijken naar theoretische geurmodellen, maar ook naar de concrete woonomgeving.
Wat betekent deze nieuwe activiteit voor mensen die hier vandaag wonen?
En dan is er het kinderdagverblijf
Misschien is het meest opvallende element wel dat zich in de invloedssfeer van de geplande exploitatie een kinderdagverblijf bevindt. Dat betekent niet dat elk landbouwbedrijf automatisch onverenigbaar is met een kinderdagverblijf. Wel betekent het dat bij de beoordeling rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van een functie waarbij jonge kinderen aanwezig zijn. Wanneer een omgeving tegelijk woningen, appartementen, recreatievoorzieningen, een kinderdagverblijf en een grootschalige intensieve veehouderij omvat, lijkt een grondige beoordeling van de leefomgeving ons geen overbodige luxe.
Niet alleen geur: ook stof, ammoniak en water
De discussie mag bovendien niet beperkt blijven tot geur. De geplande stallen brengen ook emissies van onder meer fijn stof en ammoniak met zich mee. Daarnaast zijn er geluid, verkeersbewegingen en waterverbruik. De bezwaren vragen daarom terecht aandacht voor de cumulatie van de verschillende effecten, samen met de reeds aanwezige landbouwactiviteiten in de omgeving.
Ook het waterverbruik verdient aandacht. In het bezwaarschrift wordt, als indicatieve grootteorde, voor het drinkwater alleen al ongeveer 6.084 m³ per jaar berekend bij 84.500 dieren en zeven rondes, exclusief reinigingswater en andere bedrijfsactiviteiten. Het verzoek is daarom om precies duidelijk te maken hoeveel water de exploitatie werkelijk nodig heeft en waar dat water vandaan komt.
Een vergunning moet verder kijken dan de perceelsgrens
De kern van onze bezorgdheid is daarom niet dat landbouw geen plaats zou hebben in Diksmuide. Integendeel. De vraag is of deze grootschalige activiteit op deze specifieke locatie verenigbaar is met de omgeving die daar ondertussen is ontstaan. Een vergunning wordt immers niet verleend in een leeg landschap. Ze wordt verleend op een concrete plaats, naast concrete woningen, langs concrete wegen en in de nabijheid van concrete voorzieningen.
Daarom vinden wij dat minstens volgende vragen afdoende moeten worden beantwoord:
Kan de smalle Galileistraat het bijkomende vrachtverkeer veilig verwerken?
Wat betekent dat verkeer voor de aansluiting op de drukke Oostendestraat?
Hoe worden fietsers en voetgangers beschermd?
Waar komen de aangekondigde uitwijkstroken en wie betaalt ze?
Welke geurbelasting kunnen bewoners daadwerkelijk ervaren?
Is voldoende rekening gehouden met appartementen met mechanische ventilatie?
Waarom werd de beoordelingsafstand van 1 kilometer naar 500 meter teruggebracht?
Welke cumulatieve effecten zijn er met de bestaande landbouwbedrijven?
Welke impact zijn er voor het kinderdagverblijf en andere gevoelige functies?
Hoeveel water zal de nieuwe exploitatie werkelijk verbruiken?
Diksmuide moet kiezen voor een leefbare omgeving
Een project van deze omvang verdient een grondige beoordeling. Niet omdat landbouwactiviteiten per definitie ongewenst zijn, maar omdat 84.500 kippen, honderden vrachtwagenbewegingen, ventilatie-emissies en een ligging vlak bij een woonomgeving samen een aanzienlijke ruimtelijke impact kunnen hebben. De discussie zou daarom niet mogen worden herleid tot de vraag of elk afzonderlijk onderdeel technisch binnen een bepaalde norm valt.
De echte vraag is breder:
Is deze locatie geschikt voor deze schaal van activiteit, zonder dat de leefbaarheid, verkeersveiligheid en woonkwaliteit van de omgeving onder druk komen te staan?
Dat is geen vraag tegen landbouw. Het is een vraag vóór een zorgvuldige ruimtelijke ordening. En uiteindelijk is dat precies waar een vergunningsprocedure voor dient: ervoor zorgen dat economische activiteit en de leefbaarheid van onze dorpen en wijken met elkaar verzoend kunnen worden. Voor de bewoners van de Galileistraat, de Oostendestraat en de omliggende woonomgeving is het antwoord op die vraag niet theoretisch. Zij zullen het dagelijkse verkeer, de lucht en de leefomgeving ervaren.
Daarom vragen wij dat hun belangen even ernstig worden meegenomen als de economische belangen van het geplande bedrijf.
Wilfried Verheecke


