Vijftig jaar geleden leek het lot van de Viconia-kleiputten in Stuivekenskerke al bezegeld. Wat vandaag een verstild en rijk natuurgebied is, hing toen aan een zijden draadje. De plassen die nu vogels en wandelaars aantrekken, dreigden te verdwijnen onder een laag huisvuil. Het had weinig gescheeld of deze plek was een stortplaats geworden. Maar het liep anders. Dankzij een handvol vastberaden mensen werd hier, midden jaren zeventig – met 1976 als sleuteljaar – het fundament gelegd voor wat uiteindelijk een natuurreservaat zou worden. In 1980 volgde de officiële aankoop door het Vlaamse Gewest. Daarmee kwam een einde aan jaren van discussie, conflict en onzekerheid. Diksmuideling Peter Bossu dook in 50 jaar onwaarschijnlijke geschiedenis van dit stukje Diksmuidse natuur.
De geschiedenis van de Viconia-kleiputten begint in 1945, wanneer de eerste klei hier wordt ontgonnen. Kleine treintjes vervoeren het materiaal naar de IJzer, waar het per schip verder gaat richting de steenbakkerij in Nieuwpoort. Vandaag zijn de sporen van die bedrijvigheid nog tastbaar: restanten van een laadkaai, het oude pomphuis, stille relicten van een industriële tijd. Bij het pomphuis, gelegen tussen het natuurreservaat en de IJzer en vandaag een buitenverblijf, zijn nog sporen van het treintje terug te vinden, en langs de IJzer liggen resten van de oude laadkaai. De exploitatie van klei ging onregelmatig door tot 1979. Daarna werden de uitgravingen stilgelegd en stopte ook de steenbakkerij haar activiteiten. Wat achterbleef, was een versnipperd landschap van plassen en uitgegraven terreinen.
Het kantelpunt kwam er door het verzet van lokale bewoners en natuurliefhebbers. Centraal in dat verhaal staat één naam: Paul Houwen (Lichtervelde 1935 – Woumen 1991). Als conservator van De Blankaart en de IJzermonding was hij al een pionier in de bescherming van natte natuurgebieden in de IJzervallei. Maar zijn rol reikte verder. Hij zag in de kleiputten van Stuivekenskerke geen verlaten gronden, maar een gebied met een uitzonderlijke ecologische waarde – een kans, geen probleem.
Houwen bracht mensen samen: beleidsmakers, wetenschappers, lokale boeren en natuurliefhebbers. Hij schreef brieven, organiseerde terreinbezoeken en bleef aandringen. In 1976 leidde dat tot een cruciale bijeenkomst op het terrein zelf, waar vertegenwoordigers van de provincie met eigen ogen zagen wat er op het spel stond. In die tijd werden veel oude kleiputten nog opgevuld met huisvuil of ander afval, en ook voor Stuivekenskerke lagen dergelijke plannen op tafel. Lokale bewoners en natuurliefhebbers kwamen echter in verzet.
Op 25 april 1976 bracht Houwen in een brief aan Edgard Kesteloot, toenmalig voorzitter van de Belgische Natuur- en Vogelreservaten, verslag uit van een terreinbezoek met vertegenwoordigers van de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen. Daarbij waren onder meer de heren P. Monbally en Olivier aanwezig, evenals provincieraadslid mevrouw Vandenbussche, professor J. Hublé en enkele lokale boeren. Tijdens dat bezoek werd duidelijk hoe groot de biologische waarde van het gebied was en hoeveel belangstelling er bestond voor de vogelfauna. De conclusie was even helder als richtinggevend: een deel van het gebied kon naar de landbouw terugkeren, maar de plassen – ongeveer twintig hectare – moesten als één natuurgebied behouden blijven. Het plan om de putten als stortplaats te gebruiken werd voorlopig afgeblazen.
Ook professor J. Hublé van de Universiteit Gent speelde een belangrijke rol. In overleg met Houwen nam hij contact op met de toenmalige minister van Landbouw, A. Lavens. In een brief van 17 augustus 1976 wees hij op de ecologische waarde van het gebied en pleitte hij voor de oprichting van een staatsnatuurreservaat, gedragen door wetenschappelijke expertise en degelijk voorbereid beleid.
De weg naar erkenning bleef echter moeilijk. Rond 1977 ontstond een fel debat over wildschade aan landbouwgewassen in de omgeving. Het geplande natuurreservaat had uitgesproken voor- en tegenstanders, en tegenstanders grepen het argument van wildschade gretig aan. Toch kwam er, dankzij overleg, wetenschappelijk onderbouwde rapporten en de volgehouden inzet van mensen als Paul Houwen, Jan Hublé, Marc Bécuwe, Stef Catteeuw en Rudi Debruyne, geleidelijk een oplossing.
In oktober 1980 zette de regering definitief het licht op groen voor de aankoop en het beheer van de kleiputten door het Vlaamse Gewest. Een jaar later, bij koninklijk besluit van 30 juli 1981, werd het gebied officieel erkend als staatsnatuurreservaat. In het gewestplan Diksmuide-Torhout, goedgekeurd op 5 februari 1979, waren de kleiputten intussen aangeduid als ontginningsgebied met als nabestemming reservaatgebied; een deel kreeg meteen die bestemming, terwijl de zone rond de Viconia-kasteelhoeve als parkgebied werd ingekleurd.
Vandaag lijkt het nauwelijks nog voorstelbaar dat hier ooit een stortplaats gepland was. De Viconia-kleiputten zijn uitgegroeid tot een waardevolle natuurparel in de omgeving van Diksmuide, een landschap waar water, rust en biodiversiteit opnieuw ruimte hebben gekregen. Wat ooit een bedreigd gebied was, kreeg niet alleen bescherming, maar ook toekomst.
Het verhaal eindigt daar niet. Dankzij de samenwerking tussen onder meer de Vlaamse Landmaatschappij, het Agentschap voor Natuur en Bos en Natuurpunt wordt nog steeds gewerkt aan de verdere ontwikkeling van het gebied. Natuurbeheer, educatie en geleide wandelingen zorgen ervoor dat de kleiputten blijven evolueren en beleefd worden.
Maar bovenal blijft dit een verhaal van visie en volharding. Vijftig jaar geleden zagen enkelen wat anderen niet zagen. Ze geloofden dat een verlaten ontginningsgebied kon uitgroeien tot een levend landschap. Dat natuur geen restcategorie is, maar een keuze. En precies daarom liggen de Viconia-kleiputten er vandaag zoals ze er liggen: als een blijvende erfenis van mensen die weigerden dit landschap op te geven.
Tekst : Peter Bossu
Foto : © Yves Adams


