De slag om de Boerkini

‘De boerkini is een tweeledig badpak met mouwen, lange pijpen, en een hoofddoek, dat in tegenstelling tot de boerka, het gezicht en handen onbedekt laat. Het stelt moslimvrouwen in staat om, in lijn met de interpretatie van sommige kledingvoorschriften uit het Islamitisch geloof, te zwemmen zonder hun lichaam bloot te geven’.  Tot zover Wiki.  De discussie rond een algemeen  verbod  op het dragen van de boerkini, is de laatste tijd nooit ver weggeweest.  Voorstanders van het verbod zijn van oordeel dat de boerkini een symbool is van de onderdrukking van de vrouw.  Tegenstanders zien het verbod als een beperking van hun handel en wandel.  Beide partijen hebben een punt.  Ware het voetbal, dan zou men aan strafschoppen denken.  Toch vind ik de discussie niet helemaal eerlijk.  Is het niet wat kort door de bocht om een bepaalde cultuur te beoordelen, zonder de reflectie te maken naar de eigen samenleving?  Hoeveel vrouwen van eigen kweek liggen niet onder de sloef van hun man?  En hoeveel  mannen van eigen bodem worden niet geterroriseerd door hun vrouw?  Het zijn die  sukkelaars van mannen die  in de wandelgangen van de samenleving ‘watjes’ of ‘mietjes’ worden genoemd.  Verder ben ik van oordeel dat het verbod op het dragen van de boerkini, tegen alle logica ingaat.  In de woelige jaren zestig was het een realiteit dat, hoe minder stof er aan een badpak werd besteed, hoe meer stof het deed opwaaien.  Nu blijkt dat hoe meer stof er aan te pas komt, hoe meer stof het doet opwaaien.  Een premie voor wie het bos nog kan zien door de bomen.  Een tweede aspect is dat van de esthetiek.  Het zou mijns inziens minder belastend zijn voor het netvlies als onze ‘dolce Paola’  zich in een boerkini zou vertonen in plaats van in een bikini of …monokini.  Met iets dat over datum is loop je beter niet te koop.  Ik vind trouwens dat onze Noordzeestranden veel weg hebben van goedkope etalages, met uitdagend gebarbecued naakt, dat ongeduldig ligt te wachten om geconsumeerd te worden.  Het beeld van een badende moslima in boerkini, spreekt mij veel meer aan en voert mij terug naar onze jaren vijftig.  Onlangs zag ik  een zwart-wit foto van mijn tante aan het strand van Nieuwpoort, waarop ze met haar rechterhand haar old fashion  rok slechts een paar centimeter optilt, om geen aanstoot te geven aan… ‘op de loer liggend geilend manvolk’.  Is het niet stukken boeiender te fantaseren over hetgeen verborgen is, dan om gedesillusioneerd te worden, door wat er te voorschijn komt?  Fantasie is immers een wondermiddel dat de saaiheid van het alledaags bestaan doorbreekt, en het leven de moeite waard maakt om geleefd te worden.  Om bovengenoemde  redenen ben ik een vurig pleitbezorger voor het dragen van de boerkini.  En had ik ook maar iets in de pap te brokken bij de ‘Dienst Toerisme van mijn ‘stad op stelten’, was ik al gretig plannen aan het smeden voor een promotiefilmpje met Klaasje, Marthe en Hanne, slenterend door de straten van onze binnenkort vernieuwde binnenstad, of peddelend in een kano op de Grote of de Kleine Dijk, zedig verborgen in een tweeledig badpak met lange pijpen en een hoofddoek.  En in plaats van de ‘Slag om de Boerkini’ te beslechten met strafschoppen, zou ik de nul – nul op het bord laten staan.  En een vriendenmatch organiseren tussen de boerkini’s en de bikini’s.  Een win-win situatie zeg maar voor beide strijdende partijen.  En een super Oya Lele gevoel voor de hele bonte bende op en naast het veld…

Johan Devos – 8 april 2017


Hoe ene monseigneur ons Vlaamse landje te schande maakte

Toen enkele tijd geleden een jarenlang geheimgehouden relatie van een bisschop met zijn neefje aan het licht kwam, waren de gevolgen desastreus.  Een niet onbelangrijk deel van het katholieke landschap werd met één beweging van de kaart geveegd.  De hoogwaardigheidsbekleder werd onmiddellijk afgezet en moest zijn bisschopsmijter stante pede inleveren.  Zijn ring mocht hij evenwel behouden, omdat die zat vastgeklemd aan zijn vinger en ze die anders eveneens hadden moeten afzetten.  Maar wat is een ‘bisschop zonder mijter’ met slechts een ring als souvenir?  Het is als een burgemeester zonder sjerp.  Zoals in onze boterstad.   Het gerucht doet namelijk de ronde, dat er momenteel twee burgemeesters zijn, die hier de plak zwaaien.  Ene met sjerp, en ene zonder.  En dat diegene ‘zonder’, luider zingt dan diegene ‘met’.  Of die mooier zingt dan de echte en er desnoods een valse noot voor over heeft, laat onze anonieme bron in het midden.  Het is echter een politiek gegeven dat de mooiste liedjes het langst duren.  Je moet geen advocaat zijn om dat te snappen. Burgemeesters, de echte dan, hebben het niet altijd voor de wind.  Niet alle beslissingen van het schepencollege klinken als feestmuziek in de oren van de burger.  Ik vermoed dat zij een dikke huid moeten hebben.  Ofwel een soort reservehuid  die ze, eens ze zich op straat begeven,  boven hun originele opstropen, om zich te wapenen tegen boze burgers.  Ze zijn geen Mega Mindy’s of  007’s.  Ze zijn ook God niet, noch de paus van Rome, noch een vermaledijde Vlaamse bisschop.  Alhoewel de reputatie van die ‘schijnheilige’  al een hele tijd naar de knoppen is.  Na zijn afzetting als bisschop, mocht hij tijdelijk zijn dorst gaan lessen bij een gezegende bierbrouwer in onze contreien. Doch toen de media daar lucht van kregen, achtte de abt het zijn morele plicht, om de pedo weg te sturen.  Sindsdien loopt elk spoor naar hem volkomen bijster.  Volgens een onafhankelijke bron werd  de monseigneur  toen verbannen naar een streng nonnenklooster in Avignon, waar moeder abdis hem de godganse dag op zijn vingers zit te kijken.  Alsof het zijn schoonmoeder was.  Het weekblad ‘Bonjour tout le monde’ heeft dit hele verhaal bevestigd en er aan toegevoegd dat de bisschop heel recent werd opgenomen in een psychiatrische instelling, in een voorstad van Bordeaux, waar ‘pedohaters’  hem niet de minste speelruimte gunnen.  Zelfs niet met zijn eigen speelgoed… Iemand uit de entourage van zijn slachtoffer daarentegen houdt nog steeds vol dat de gevallen bisschop  destijds een veilige aftocht is beloofd, op voorwaarde dat hij de klok niet zou luiden over mogelijke doofpotoperaties, vermits hij plannen scheen te koesteren om anderen in zijn val mee te sleuren.  Volgens deze denkpiste zou de bisschop een kluizenaarsleven leiden in de bossen rond Pont-l’Eveque.   Wie zal het bevestigen?  Paus Franciscus misschien?  Tenzij diens interesse voor zijn verloren schaap tot het nulpunt is gedaald.  Wellicht heeft de pauselijke vergevingsgezindheid ook haar grenzen, zelfs al zit het ‘Jaar van de Barmhartigheid’ nog in zijn vrome achterhoofd.  Gelijk heeft hij, want een bisschop met relaties ‘achter de rug’ kan je niet gratuite de absolutie geven.  Onafgezien van de vraag of ‘achter de rug’ een bijwoordelijke bepaling is van tijd of van plaats… Een laatste hypothese is dat een queeste naar de pedo zinloos is omdat hij intussen reeds het ‘het pijpen aan Maarten’ heeft gegeven.  Hoe dan ook, paus Franciscus mag ‘promptus’ een procedure opstarten om de gewezen bisschop  ‘schijnheilig’ te verklaren.  Het zou mij, en wellicht ook vele anderen, een super ‘zalig’ gevoel geven…

Johan Devos – 11 maart 2017


 

Mijn vriend Huub

Hij is geboren en getogen in Maastricht.  Een Hollander dus in hart en nieren. Hollanders zijn ook mensen.  Maar alleen zij hebben van die dichterlijke namen.  Trouwens, Huub is ook dichter, net als ik, maar veel groter.  Ik zal nooit zo groot worden als hij.  Niet omwille van mijn naam, maar omwille van mijn manier van leven.  Slechts diegenen met een opvallende levensstijl en turbulent verleden worden groot.  Zoals Piaf en Brel …en mijn vriend Huub.  Toen ik hem ontmoette deze zomer in ‘Galerij Montanus’, vertelde hij met reuze appetijt, dat hij reeds zijn derde vrouw aan het consumeren  was.  Alsof zij de derde gang was van een zes gangen menu.  ‘En hoe zit het met jou’? informeerde hij even later tijdens de middaglunch op het zonneterras van ‘Restaurant Nikolaas’.  ‘Ik ben nog altijd bezig aan mijn eerste, zei ik en verwachtte een spontane innige deelneming.  ‘Jij bent altijd al een trage eter geweest’, corrigeerde hij mijn gedachten.  Ik voelde mij een saaie piet, iemand die niet eens een scheve schaats durft te rijden en zich heel naïef schikt in het simpel geluk van elke dag.  Bijgevolg als dichter verdoemd is om ten eeuwigen dage rond de middelmaat te blijven hangen.  Van Huub wist ik dat hij al twee vechtscheidingen en evenveel depressies achter de rug had, een mislukte poging tot suïcide tussendoor, betrokken was in een ernstig auto-ongeluk als gevolg van zijn alcoholverslaving en daardoor opgezadeld zat met een heel lange en moeizame revalidatie, maar …de publieksprijs kreeg verleden jaar op het poëziefestival van Amersfoort.  Om stikjaloers op te zijn. Toch?  Dit laatste feit was trouwens een echte doorbraak in zijn dichtersloopbaan.  Laatst zag ik Huub op een podium in Amsterdam.  Zijn geluk kon niet op.  Hij had weeral een eerste prijs in de wacht gesleept en dit met grote lengten voorsprong op de concurrentie.  Ik was amper de vijfenveertigste op vijfennegentig.  Huub benadrukte andermaal dat mijn pover resultaat absoluut niet te wijten was aan een gebrek aan talent. ‘Als je te lang optrekt met dezelfde muze dan komt je inspiratie ernstig in het gedrang’, preciseerde hij, ‘en dus ook je carrière als dichter.  Maar trek je dat vooral niet aan en drink er nog ene van mij’ troostte hij, legde zijn professionele dichtersarm rond mijn amateuristische schouder, en stelde mij voor aan Willeke, zijn vierde gang.   De gemiddelde Nederlander rijdt statistisch gezien langer met zijn auto, dan Huub met zijn veroveringen.  Wellicht zijn interpretatie van dichterlijke vrijheid.  Heel even later zag ik een glunderende Huub, die onder daverend applaus van het publiek, zijn prijs in ontvangst nam, en …drie kussen kreeg van een Amsterdamse schone.  Mijn vertrouwde muze stond mij intussen aan de uitgang van de zaal enthousiast op te wachten.  Ze droeg haar jurk met de zonnebloemen van Van Gogh, gekocht op de markt van Amersfoort, een hippe zonnebril op haar snoet, en een brede glimlach om haar lippen.  Ik vond dat ze er heel knap uitzag in haar nieuwe outfit.  ‘Proficiat’ zei ze, ‘voor mij ben je er één uit de duizend’.  Al waren er  precies geteld vier en veertig anderen voor mij.  Liefde is…ten gepaste tijde  een heel klein beetje durven overdrijven. Toen viel mijn oog op Willeke, die enkele passen verder stond te flirten met een lid van de jury.  Het besef drong toen met mondjesmaat tot me door dat ik best tevreden mag zijn met mijn ouwe trouwe muze en het simpel geluk van elke dag.  ‘Ik rammel van de honger’, fluisterde ze me toe, ‘en  heb een tafeltje besteld voor twee, in een heel gezellig restaurantje, een beetje verder langs de wallen, en het menu van de dag’.  Op ons lijf geschreven, dacht ik, want van al die gangen, daar komt alleen maar grote miserie van…

Johan Devos – 11 februari 2017


Maria en Martha

Het is kwart voor tien als ik mijn wagen achterlaat op het ‘IJzerheemplein’ en mij begeef naar het ‘Yserheem’.  Twee ijzerhoudende woorden die het blijkbaar niet eens raken over hun spelling.  In het rusthuis heerst de bedrijvigheid van elke morgen.  Ik haast me naar de leefgroep van Maria en zet me naast haar.  ‘Waar blijft Martha toch? vraagt ze ongeduldig.  Het arme mens beseft nog steeds niet dat haar vertrouwde leefgenoot voor altijd weg is.  Nochtans heb ik haar een doodsprentje bezorgd van mijn tante, die veertien dagen terug is bezweken aan een overdosis ijzer en begraven ligt op het kerkhof in Keiem. Over de  gedenksteen met opschrift ‘Hier ligt mijn tante Martha, haar spiraal werd haar fataal’ heb ik wijselijk gezwegen.  Ook over het feit dat Patrick Steen er op eigen initiatief een tweede steentje heeft bijgezet met de inscriptie ‘Moge zij roesten in vrede’.  Altijd bereid om zijn steentje bij te dragen, die Patrick.  Voor slechts twee duvels in het ‘Brouwershuis’.  Al ging mijn voorkeur eigenlijk meer uit naar ‘De Vrede’, vanuit een aloude gewoonte, destijds in het leven geroepen door een guitige deken van de boterstad.  Na de hoogmis op zondag zei die telkens heel plechtig, ‘en gaat nu allen heen naar de Vrede’.  En op de hoogdag van Pasen voegde hij er zelfs aan toe ‘ en drink er maar ene op mijn kosten’.  Die wist tenminste hoe hij de parochianen over zijn kerkvloer moest krijgen.  Nu lopen de kerken leeg.  En ’t is te laat de kerk gevuld, nu de creativiteit verdronken is. ‘Martha komt nooit meer terug’, zeg ik tot Maria.  Ik bespeur diepe plooien in haar gelaat, dat veel weg heeft van  een ‘tot op de draad versleten’  landkaart.  ‘Het is de schuld van de  tijd’, fluistert ze,  alsof ze mijn gedachten raadt en zich moet verantwoorden.  ‘Maakt niet uit Maria’, troost ik haar, ‘als je maar gezond bent’, een cliché die vandaag de dag nog altijd lijkt te werken..  ‘Hoe laat is het’? vraagt ze plots, zonder enige schijnbare aanleiding.  Ik merk dat de plooien in haar gelaat zich omvormen tot grote vraagtekens.  ‘Tijd om je leven te beteren’, grapt Julien, die twee stoelen verder zit.   Hij lacht daarbij zijn tanden bloot, als was het ‘Open Mond Dag’.  Ik stel vast dat hij een viertal tanden mist langs boven, en een stuk of zes langs onder.  Hij mist ook zijn enige dochter die hem verleden jaar is ontvallen, weet ik van Leen, een nichtje van Julien, die af en toe bij hem langskomt. ‘Het is kwart over tien Maria’, antwoord ik.  ‘Ben je dat wel helemaal zeker? vraagt ze, enkele decibels luider.  ‘Want daarnet beweerde iemand, een ‘liedje’ geleden, dat het tien uur was.  Soms weet je hier echt niet wie je moet geloven’.  Vanuit pedagogisch standpunt besluit ik om haar volmondig gelijk te geven.  Iets wat Julien niet meer kan.  Toch niet meer volmondig.  ‘Kwart na tien dus’, concludeert Maria,’ ‘en is dat dan voor iedereen gelijk’? voegt ze er filosoferend aan toe.  ‘Vast en zeker Maria’ benadruk ik, ‘voor iedereen gelijk’. ‘ Dankjewel’ zegt ze, ‘jij bent een vriendelijke en gedienstige’ jongen’.  Alsof ik de tijd naar mijn hand kon zetten.  ‘Wanneer zie ik je  weer’? vraagt ze.  ‘Nog voor het einde van het jaar’ beloof ik haar, en haast mij naar buiten.  Alvorens de wagen te starten, mediteer ik nog even over de filosofische vraag van Maria.  Je moet blijkbaar erg oud worden, en misschien ook wel een heel klein beetje lelijk, om zo zen te worden.  En bovendien veel plooien hebben in je aangezicht die bij momenten vraagtekens worden.  Zoals de cyclus van eb en vloed in een zee van tijd.  Een tijd die misschien toch niet voor iedereen gelijk is.   Zoals de meeste dingen hier op aarde…

Johan Devos – 14 januari 2017


Met ons gat in de boter

De ondertekening van het vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Canada heeft liters zweet en tranen gekost.  Het zette veel kwaad bloed bij de ngo’s en de boerenverenigingen.  Deze groepen  kregen nochtans onverwachte steun van Paul Magnette, voorzitter van de Waalse socialisten.  Hij heeft daarbij zijn been zo lang stijf gehouden tot hij er een hersenschudding heeft aan overgehouden. De weerspannigheid van onze Waalse vriend is niet zonder gevolgen gebleven voor het Belgische landschap.  De kust en de Ardennen zijn weeral enkele kilometers van elkaar afgedreven.  Voorstanders van een scheiding voelen zich meer dan ooit aangesproken om hun eisen op de politieke agenda te zetten.  Alhoewel deskundigen in scheidingsproblematiek beweren  dat scheiden doet lijden.  Misschien zou een lat tussen Walen en Vlamingen wel een uitweg kunnen bieden voor hun eeuwig geruzie.  Al hoeft een lat niet per se de regel te zijn.  Zoals in onze boterstad.  De meeste partijen lijken het goed met elkaar te vinden.  Dit is niet altijd zo geweest.  Denk aan de memorabele tijd toen ze elkaar verweten voor kaloten, sossen en francs-maçons.  Vandaag lukt het hen wonderwel om het merendeel van onze leeglopende kerken in het midden te houden.  Diplomatie heet dat.  Alhoewel diplomatie in een politieke context vaak wordt bekleed met de mantel der leepheid.  Wie weet nemen ze elkaar niet bij de hand om een gezellige wandeling te maken in het stadspark, terwijl ze snode plannen smeden over een politiek akkoord?   Het risico om gespot te worden is vrijwel nihil, gezien er in dat stukje groen zelden een vreemde luis te zien is.  Alhoewel de laatste tijd… Ofwel is niets wat het lijkt en lusten zij elkander rauw.  Of op zijn sushi’s met allerlei pikante sausen er over.  Politici zetten de argeloze burger met het grootste gemak op het verkeerde been.  Zij hebben echt geen masker nodig om carnaval te vieren.  Wel een nieuwe bril en wat fingerspitzengefühl om te zien en aan te voelen dat de mate van ontevredenheid gevoelig is toegenomen bij bezitters van een wagen, gezien zij om de haverklap worden aangesproken door het ‘Fonds voor te lang Parkeerders’.  Met het gevolg dat aasgieren uit de oppositie met hun scherpe blik en  reuze appetijt, op die gepluimde doelgroep zitten te azen.  De meerderheidspartijen lijken niet te beseffen  dat de zee van tijd die hen nog rest om het tij te doen keren, verdampt is tot een ordinaire plas.  Ik stel voor dat, in het vooruitzicht van 2018,  er enkele stevige debatten worden georganiseerd tussen de lijsttrekkers van de verschillende partijen, naar het stichtende voorbeeld van Donald Duck en Hillary Clinton.   Waar verwijten zoals fuck en kut haarscherp op de tegenstander worden afgevuurd.  Zoals tennisballen op Roland-Garros.  Met tussenin getuigenissen van laag uitgesneden plaatselijke schonen, over ongewenste seksuele intimiteiten door politici van eigen kweek.  Al waren die intimiteiten misschien wel heel graag meegenomen….And last but not least, klokkenluiders die zich geroepen voelen om vertrouwelijke e-mails tot de laatste druppel te laten uitlekken.  Na de ‘Wikileaks’ en de ‘Panama papers’ onze eigen ‘Butter City Leaks’.  Dit spektakel zou pers – en mediabelangstelling met zich meebrengen tot ver buiten onze West – Vlaamse grenzen.  Met  boekingen in onze hotels en B&B’s tot gevolg.  Een onverwachte opsteker voor de zwaar getroffen middenstand, en..en.. ..Sorry, trouwe lezers van ediksmuide, ik liet me  even gaan, duizendmaal sorry…Laten we misschien toch maar gewoon met zijn allen de verkiezingskat uit de boom kijken.  En wie weet vallen we, tegen dat het echt zover is, terug met ons bloot gat in de boter…

Johan Devos – 10 december 2016


Het spiraaltje van tante Martha

Op de voorlaatste dag van de Antwerpse Boekenbeurs, stond ik in de wachtrij aan de stand van Goedele Liekens, waar ze haar laatste boek ‘Sukkelseks’ promootte, voorzien van haar handtekening.  Haar eigen gesukkel met seks was het motief, voor het schrijven van dit werk.  Daarnaast leek ook het mama worden haar niet echt in de schoot geworpen, want pas na veel oefenen is het gelukt. Gedeeltelijk toch. Want de eerste keer heeft ze een muis gebaard.  De tweede keer een merel.  Niet echt om naar huis te schrijven.  Toch?  Met haar boek als leidraad is ze onlangs gestart met het geven van sessies aan koppels, die op de sukkel zijn met seks en/of voortplanting.  Zo zie je dat de geschiedenis zich blijft herhalen.  Soms zelfs tot vervelens toe.  Alhoewel de problemen zich vroeger ook nog op een ander domein situeerden.  Koppels moesten het lange tijd klaarspelen – let op het woord – met de ‘coïtus interruptus’, in kerkelijke kringen beter bekend als  ‘de kerk verlaten terwijl de mis nog bezig is’.  Een methode die van de beoefenaar een grote zelfbeheersing vroeg en een perfecte timing.  En als er achteraf twijfels waren over de mannelijke alertheid op dat cruciaal moment, bracht de ‘after morning pil’, een beetje zekerheid.  Een tweede methode was die van de periodieke onthouding waarbij het accent lag op de kennis van het vrouwelijk lichaam, zoals de maandstond, de eisprong en andere olympische disciplines.  Lange tijd durfde niemand die dingen bij naam te noemen.  Als iemand zwanger werd hoorde je meestal, ‘ze is in positie’ of ‘ze doe were mee’.   En iemand die haar maandstonden had zei, ‘ik heb Marie’.  Het is pater Phil Bosmans van de Bond zonder Naam,die Marie destijds naar de prullenmand heeft verwezen, met de befaamde wandspreuk, ‘de maandstond heeft goud in de mond’.  Alhoewel mijn persoonlijke voorkeur meer uitging  naar smaken met een meer culinair karakter.  De derde preventieve methode werd ontworpen door staaldraadgigant Bekaert uit Zwevegem, en kreeg de naam ‘het spiraaltje’.  Die methode deed het trouwens uitstekend in onze contreien omdat die een stuk veiliger was dan de twee vorige.  Haakjes open: Royalty Watchers van de Britse troon beweren dat de ‘Iron Lady’ dit etiket kreeg opgespeld omwille van haar voorkeur voor dat spiralen ding.  Haakjes dicht.  Toch is er mij één geval bekend, waarbij het gebruik van het spiraaltje rampzalig is afgelopen, met name bij mijn tante Martha uit Keiem.  Laatst ontmoette ik haar nog in het ‘Yserheem’ naar aanleiding van haar vijf en negentigste verjaardag.  Ze viel toen met de deur in huis dat ze nog steeds een spiraaltje in haar lijf zitten had, alhoewel ze dit eigenlijk niet meer echt nodig had, voegde ze er lachend aan toe.  Dat spiralen ding lag zwaar op haar lever omdat het haar levenskwaliteit vaak negatief had beïnvloed.  Zo kon ze nooit met een gerust gemoed op reis gaan met het vliegtuig, omdat ze elke keer werd teruggefloten aan de incheckbalie.   Uiteindelijk heeft het ook haar dood betekend want korte tijd nadien, is dat spiraaltje beginnen ontsteken en een maand later was het zover.  Uit respect voor haar heb ik een gedenksteen laten maken door Patrick Steen uit Keiem, waarin de volgende tekst gebeiteld staat: ‘hier ligt mijn  tante Martha, haar spiraal werd haar uiteindelijk fataal.’ …En in gedachten verzonken over haar tragisch einde, bracht een zwoele stem mij terug naar de oppervlakte.  ‘Ook wat op de sukkel’?  plaagde ze, toen ze mij haar boek aanreikte.  ‘Het is niet voor mij’, loog ik.  ‘Je moet niet beschaamd zijn’, trachtte ze mij te troosten, ‘je bent heus niet alleen’. Wat ik het allermeest benijd bij vrouwen is, dat ze met één simpele oogopslag doorhebben wanneer mannen de waarheid al dan niet geweld aandoen.  Zonder enig verder commentaar, draaide ik mij om en verdween in de anonimiteit van de zich langzaam voortbewegende  mensenmassa.  Met de titel van het boek dicht naar mij toegekeerd.  Je weet maar nooit…

Johan Devos – 12 november 2016


 

De stille dood van een klein station

Niets in mijn leven heb ik meer gemist dan mijn trein. En dat heeft niets te maken met een onvervuld verlangen.  Wel met een slechte timing. Treinen hebben mij wel altijd gefascineerd.  Perrons ook.  Nergens hoor je zoveel echo’s van intens verdriet.  ‘Que c’est triste un train qui siffle dans le soir’, zingt Aznavour in 1968.  Wat is er melancholischer dan het weemoedige gefluit van een uitblazende trein op een bijna verlaten perron, waar twee geliefden afscheid nemen in de gietende regen, half verscholen onder een versleten paraplu?   En kussen die naar tranen smaken?  En een trein die met hen meehuilt?  In onze hedendaagse onderkoelde samenleving worden meehuilende treinen de mond gesnoerd.  Ook kleine stations worden  monddood gemaakt.  Mensen moeten hun plaats inruilen voor een jukebox zonder singles, die met regelmaat van tijden een ticket uitbraakt.  Geen vijfenveertig toeren plaatje ‘ik neem vandaag de trein’ van onze diep betreurde Ann, die je met haar lieve stem opvrolijkt terwijl je ticket heel droogjes uit de automaat schuift.  Creativiteit en NMBS hebben mekaar blijkbaar nog altijd niet gevonden. Omdat ik nog geen ervaring had met zo een soort jukebox, en ik diezelfde dag nog naar Antwerpen wou,  samen met mijn nieuwe vriendin,, wou ik die eerst even uitproberen. Die automaat bedoel ik.  Maar mijn experiment liep totaal in het honderd door de felle zonnestralen die mij verhinderden om de instructies af te lezen.  Wie plaatst er nu in Godsnaam zo’n stom ding in de vlakke zon?  Antwoord: de NMBS.  Dus haastte ik mij naar huis en vormde het bewuste nummer.  ‘Voor Nederlands druk op één’ zei een  opgenomen stem, die koelweg vervolgde dat ik op twee moest drukken voor technische bijstand.  Ik vond het gek dat ik niet moest afsluiten met hekje.  Toen zei de stem dat er in de digitale wachtzaal, nog enkele wachtenden voor waren, maar niet hoeveel.  Vermoedelijk om de spanning er nog wat even in te houden.  Pas na een slordige vijftal minuten probeerde een werkwillige mij duidelijk te maken dat ik verbonden was met de technische dienst.  ‘Ik weet het’ zei ik ‘vermits ik op twee heb gedrukt’, en deed mijn probleem naadloos uit de doeken.  ‘Ik zal u uitleggen wat u moet doen’ zei hij:  ‘u draait  het nummer dat op de automaat vermeld staat, ‘en dan zullen wij u verder helpen’.  Opgelucht als een luchtballon, die na zijn eerste testvlucht veilig is geland, spoedde ik mij naar het station, nam mijn gsm en zocht het nummer op de automaat.  Maar dan sloeg mijn opluchting om in een ongezonde mix van ontzetting en woede.  En enkel en alleen omdat er een deftige Franse dame, met hoogzwangere allures, op mijn trillende vingers stond te kijken, hield ik een ‘Nom de Dieu’ nog wat in petto.  Toen pas zag ik de binnengelopen trein, en de man met de fluit in het openstaande portier, het ideale slachtoffer om mijn woede op te bekoelen.  En in een uitgelezen selectie van minder fraaie bewoordingen stortte ik mijn ongenoegen over hem uit.  De man met de fluit leek met verstomming geslagen, hapte even naar adem, werd lijkbleek, en slikte toen iets door.  En dan vertrok de trein in alle stilte.  En ook de man.  Zonder fluit.  ‘Que c’est triste un conducteur de train sans siffle ‘ mijmerde ik in café ‘Botaniek’ recht tegenover het station, terwijl ik het laatste restje frustratie doorspoelde in perfecte harmonie met een inheemse ‘Papegaei’.  ‘En wat nu met de trip naar Antwerpen zoetje?’ sms’te mijn vriendin. ‘Misschien nog even wachten liefje’, troostte ik haar,  ‘tot de zon het voor bekeken houdt’…

Johan Devos – 8 oktober 2016


De struikelstenen van de Grote Markt

In gedachten verzonken, sukkelde ik deze morgen, op de kasseien van onze Grote Markt.  Toen ik in de schaduw kwam van de fiere generaal, struikelde ik over een van de vele kasseien die een paar centimeter uitsteken boven hun collega’s. Gelukkig kon ik een onfortuinlijke duik nog op de valreep vermijden, een echte sappige Vlaamse vloek helaas niet meer.  Op dat eigenste moment kruiste ik onze burgemeester, die een heel bezorgde blik met mij uitwisselde. ‘We gaan hem binnenkort  herleggen’, zei ze gegeneerd, alsof ze zich persoonlijk verantwoordelijk voelde voor dat incident.  Het is een feit dat de markt van Diksmuide, een geliefkoosd item is voor slachtoffers van bewogen kassei – ervaringen.  En ik leef ook intens mee met alle slachtoffers die dat trauma nog moeten verwerken, of  nog aan het revalideren zijn.

Wat ik echter niet kan delen, is hun onophoudelijk  gezaag.  Er zijn toch veel ergere dingen in onze wereld om je zorgen over te maken.  Neem nu de oorlog in Aleppo, of die ontelbare terroristische aanvallen op onschuldige burgers overal ter wereld, of …het nieuw parkeerregime – met de nadruk op regime – voor parkeren in zones met beperkte parkeertijd.  Nochtans kan je de kasseien van de Grote Markt ook bekijken vanuit een eerder sportieve hoek.  Als ik mijn argeloze blik over de markt laat varen, beeld ik me in dat ik mij bevind op een leuk hindernissenparcours, in een of ander bos of pretpark.  En als ik al eens sporadisch struikel over een of andere kassei, zie ik dat als een ‘leven  zoals het is’ ervaring, met vallen en opstaan dus.

Dat positief denkbeeld heeft mij al veel soelaas gebracht in vervelende situaties.  Alhoewel ik ook mijn pessimistische  kantjes heb.  Laat mij dit even verduidelijken.  Tijdens de periode die voorafging aan de restauratie van het stadhuis, stoorde ik mij uitermate aan de vieze openbare stadstoiletten, die naar mijn bescheiden mening, het uithangbord zouden moeten zijn van een gemeente.  Vuile toiletten, vuile stad, is mijn persoonlijke marketingvisie op de zaak.  Toen twee deftig uitgedoste Engelse dames mij op een zomerse vrijdag in juli, de weg vroegen naar de sanitaire voorzieningen, heb ik mijn stad verloochend, om niet te worden vereenzelvigd met die vieze toiletten.  Waren het mannelijke toeristen geweest die mij om sanitaire bijstand vroegen, had ik ze wellicht  doorverwezen naar de achterkant van de generaal, om zijn  Congolees geheugen wat op te frissen.  Maar voor mij was het voorval met ‘de op hun honger zittende Engelse lady’s’, de druppel die de toiletten deed overlopen.  Want nog diezelfde dag wendde ik mij per e-mail tot de burgemeester, om haar in geuren en kleuren, mijn bekommernis uit te drukken over de beschamende sanitaire toestand, aan de achterdeur van haar ambtswoning.  Haar antwoord bestond uit amper zeven woorden ‘Ik zal zien wat ik kan doen’.  Geen loze beloftes die je bij volgende verkiezingen op je bord krijgt, maar zeven heel doordachte woorden ‘ik zal zien wat ik kan doen’.

Tot gisteren kwelde de gedachte mij, dat die bewuste mail aan haar, in slechte aarde was gevallen.  Maar deze morgen heeft ze mij, met haar minzame blik, voorgoed bevrijd van die dwanggedachte.  Zij schonk mij het verlossend gevoel dat ik er mag zijn, ook voor haar.  En wellicht is de  maatschappelijke bijdrage van mijn mail ook niet te onderschatten, want op vandaag zijn de toiletten, in de site van het prachtig gerestaureerde stadhuis van onze teergeliefde boterstad, altijd spic en span…

Johan Devos – 10 september 2016


Maandelijks, op de tweede zaterdag van de maand, verschijnt een column van Johan Devos op www.eDiksmuide.be.  Een eigen kijk op onze wereld van vandaag, verpakt in wat fictie, met nu en dan een Diksmuidse toets.
Deze columns zijn buiten de verantwoordelijkheid van de redactie van eDiksmuide.